De duivel had geen keuze maar om te ontwerpen aan de wil en de arrangementen van God, hij kon mensheid niet vasthouden, maar hij vervolgd ieder mens, en hij is erg sterk, zo sterk dat Farao zonder een speciale verharding door God, kon zijne rol niet goed spelen. Daarom hebben wij God nodig om aan onze zijd te zijn om de duivel weg van ons te houden, precies als de vuurkolom en wolk tussen Farao leger en de symbolische mensen van God (Israëlieten) stond.
Numeri (1 - 1): De Here sprak tot Mozes in de woestijn Sinai, in de tent der samenkomst, op de eerste dag der tweede maand in het tweede jaar na hun uittocht uit het land Egypte: 2 Neemt het aantal op van de gehele vergadering der Israëlieten naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen, allen die van het mannelijk gaslacht zijn, Hoofd voor hoofd, 3 van twintig jaar oud en daarboven, allen die het leger uitrukken in Israël; ....... .
4 … 45 Dus waren al de getelden der Israëlieten, naar hun families, van twintig jaar oud en daarboven, allen die in het leger uitrukten in Israël, 46 al de getelden waren zeshonderd drieduizend vijfhonderd vijftig.
( 30 )
Wij stellen hier de vraag: "Was het niet mogelijk om de Israëlieten tot Sinai woestijn op droge land te leiden zonder de behoefte om de Rode zee te splitsen, voor het Suez kanaal was noch niet gegraven? En God kon dezelfde tijd de Israëlieten en de Egyptenaren apart houden?"
Als God het leger van de Farao niet in de zee verdronken heeft, dan de hele scène, en al dat gebeurde zal niet kloppen, omdat deze particuliere scène van de splitsen van de Rode zee symboliseerde de verdrinking van de zondaren van de wereld in de zondvloed, waarvan Noach en zijn familie op de droge ruimte van de Ark gered en bespaard werden.
Hier herinneren wij de mensen die de zondvloed gebeurtenis ontkennen, dat de verdrinking van de Egyptenaren in de Rode zee een symbool van de zondvloed was. En als wij de vraag stellen: "Hoe waren de dinosaurus en de grote reptielen van de aarde ineens helemaal verdwijnen?" Degenen die de zondvloed ontkennen een ster of een ramp zoeken om de aard te treffen, en probeerden ze het te verwijten om de verdwijning van de uitgestorven reptielen
uit te leggen, en dezelfde tijd vergeten ze opzettelijk de actuele reden, die de oorzaak van deze verdwijning was, en die zo duidelijk in de Bijbel vermeld staat onder de rubriek van "De zondvloed".
En in de woestijn van Sinai heeft de Here aan zijne mensen de Wet en het tien geboden gegeven, en zij hebben een heiligdom gemaakt per het bevel van God tot Mozes, zodat God in hun midden mocht wonen.
( 31 )
Exodus (25 – 8): En zij zullen mij een heiligdom maken, en Ik zal in hun midden wonen. 9 Gij zult het maken overeenkomstig alles wat ik u toon, het model van de tabernakel en het model van al zijn gerei. 10 Zij moeten dan een ark van acaciahout maken, twee en een halve el lang, anderhalve el breed, en anderhalve el hoog.
11 Gij zult die overtrekken met louter goud; van binnen en van buiten zult gij die overtrekken en er rondom een goud kroon op maken. 12 .. 16 In de ark zult gij de getuigenis leggen, die Ik u gegeven zal. 17 Ook zult gij een verzoendeksel van louter goud maken, twee en een halve el lang en anderhalve el breed. 18 En gij zult twee cherubs van goud maken, van gedreven werk zult gij ze maken, aan de beide einden
van het verzoendeksel. 19 Maak één cherub aan het ene einde en één cherub aan het andere einde; uit één stuk met het verzoendeksel zult gij de cherubs op zijn beide einden maken.
20 De cherubs zullen twee vleugels uitgespreid houden naar boven, met hun vleugels het verzoendeksel bedekkende en hun aangezicht naar elkander gericht; naar het verzoendeksel zullen de aangezichten der cherubs gericht zijn. 21 Gij zult het verzoendeksel boven
op de ark leggen en in de ark zult gij de getuigenis leggen, die Ik u geven zal. 22 .. 23 Gij zult een tafel van acaciahout maken, .... 24 Gij zult die overtrekken met louter goud en er een gouden kroon omheen maken. 25 .. 29 Gij zult schotels, schalen, kannen en kommen maken, waarmee geplengd wordt; van louter goud zult gij ze maken. 30 En gij zult op de tafel geregeld toonbrood leggen voor mijn aangezicht.
31 Gij zult een kandelaar van louter goud maken, van gedreven werk zal de kandelaar gemaakt worden, ... 32 Zes armen nu zullen uit zijn zijden uitsteken; drie armen van de kandelaar uit de ene zijde en drie armen van de kandelaar uit de andere zijde. 33 .. 37 Gij zult er zeven lampen voor maken en men zal die lampen erop zetten en het licht laten vallen naar de voorkant. 38 .. 40 Zie nu toe, dat gij alles maakt naar het model dat u daarop de berg getoond is.
( 32 )
Ook in: Exodus (26 – 1): De tabernakel zult gij maken van tien tentkleden; van getweernd fijn linnen, hemelsblauw, purper en scharlaken met kunstig geweven cherubs zult gij ze maken. 2 De lengte van elk tentkleed zal achtentwintig el zijn en de breedte van elk tentkleed vier el: een zelfde maat voor al de tentkleden. 3 Vijf van de tentkleden zullen verbonden zijn aan elkander, en nog eens vijf tentkleden zullen verbonden aan elkander.
4 Ook zult gij hemelsblauw lussen maken op de rand van het ene tentkleed aan het einde, aan het ene stel, en evenzo zult gij doen op de rand van het laatste tentkleed aan het andere stel. 5 Vijftig lussen zult gij maken op het ene tentkleed en vijftig lussen zult gij maken aan het einde van het tentkleed, dat tot het andere stel behoort, zodat de lussen tegenover elkaar staan, de ene tegenover de andere. 6 En gij zult vijftig gouden haken maken en de tentkleden aan elkander
door de haken verbinden, zodat de tabernakel één geheel is. 7 Ook zult gij tentkleden van geitenhaar maken tot een tent over de tabernakel, elf tentkleden zult gij maken. 8 De lengte van elk tentkleed zal dertig el zijn en de breedte van elk tentkleed vier el: een zelfde maat voor de elf tentkleden. 9 Gij zult vijf van de tentkleden afzonderlijk verbinden en zes van de tentkleden afzonderlijk, en gij zult het zesde tentkleed
dubbel leggen, aan de voorkant van de tent. 10 Gij zult vijftig lussen maken op de rand van het ene tentkleed, het laatste aan het ene stel, en vijftig lussen op de rand van het tentkleed, aan het andere stel.
( 33 )
11 Gij zult vijftig koperen haken maken en de haken in de lussen steken en de tent samenvoegen, zodat zij één geheel is. 12 Wat het overhangende betreft, dat overhangt aan de tentkleden der tent, de helft van het overhangende tentkleed zal overhangen aan de achterkant van de tabernakel. 13 Een el aan deze zijde en een el aan gene zijde van wat overhangt in de lengte van de tentkleden der tent zal overhangen aan de zijde van de tabernakel, aan
deze en aan gene zijde, om haar te bedekken. 14 Ook zult gij een dekkleed voor de tent maken van roodgeverfde ramsvellen, en een dekkleed van tachasvellen daaroverheen. 15 Gij zult de planken voor de tabernakel maken van acaciahout, rechtopstaande;
16 tien el zal een plank lang zijn en anderhalve el breed. 17 Elke plank zal twee tappen hebben, zodat zij aan elkaar kunnen worden verbonden; zo zult gij met al de planken van de tabernakel doen. 18 Gij zult de planken voor de tabernakel maken, twintig planken aan de zuidkant. 19 En veertig zilveren voetstukken zult gij maken onder de twintig planken, twee voetstukken onder de ene plank
voor haar beide tappen, en twee voetstukken onder de andere plank voor haar beide tappen. 20 evenzo voor de andere zijde van de tabernakel aan de noordkant twintig planken 21 met veertig zilveren voetstukken: twee voetstukken onder de ene plank en twee voetstukken onder de andere plank. 22 Voor de achterzijde van de tabernakel aan de westkant zult gij zes planken maken. 23 Twee planken zult gij maken voor de hoeken
van de tabernakel aan de achterkant. 24 Volkomen gelijk nu zullen zij zijn aan de onderkant en aan de bovenkant, tot de ene ring; zo zal het voor die beide zijn: zij zullen de beide hoeken vormen.
( 34 )
25 Er zullen dus acht planken zijn met haar zilveren voetstukken: zestien voetstukken; twee voetstukken onder de ene plank en twee voetstukken onder de andere plank. 26 Ook zult gij dwarsbalken maken van acaciahout: vijf voor de planken van de ene zijde van de tabernakel, 27 vijf dwarsbalken voor de planken van de andere zijde van de tabernakel, en vijf dwarsbalken voor de planken van de zijd van de tabernakel aan de achterkant naar het westen,
28 met de middelste dwarsbalk, in het midden der planken, dwars dóórlopende van het ene einde naar het andere. 29 De planken nu zult gij met goud overtrekken, de ringen zult gij van goud maken als houders voor de dwarsbalken, en de dwarsbalken zult gij met goud overtrekken. 30 Dan zult gij de tabernakel oprichten overeenkomstig het plan dat u daarvan op de berg getoond werd.
31 Gij zult een voorhangsel maken van hemelblauw, purper, scharlaken en getweernd fijn linnen; met kunstig geweven cherubs zult gij het maken. 32 Gij zult het hangen aan vier pilaren van acaciahout, met goud overtrokken, van gouden haken voorzien, op vier zilveren voetstukken. 33 Gij zult het voorhangsel onder de haken hangen en daarheen, binnen het voorhangsel, de ark der getuigenis brengen, zodat het voorhangsel voor u scheiding maakt
tussen het heilige en het heilige der heiligen. 34 Gij zult het verzoendeksel op de ark der getuigenis leggen in het heilige der heiligen. 35 Gij zult de tafel buiten het voorhangsel zetten, en de kandelaar tegenover de tafel aan de zuidzijde van de tabernakel, en de tafel zult gij plaatsen aan de noordzijde. 36 ook zult gij een gordijn voor de ingang der tent maken van hemelblauw, purper, scharlaken en getweernd fijn linnen:
veelkleurig weefwerk. 37 Gij zult voor het gordijn vijf pilaren van acaciahout maken en ze met goud overtrekken, van gouden haken voorzien, en gij zult daarvoor vijf koperen voetstukken gieten.
( 35 )
En in: Exodus (27 – 1): Gij zult het altaar van acaciahout maken, vijf el lang en vijf el breed, zodat het altaar vierkant is, en drie el hoog. 2 Gij zult hoornen aan de vier hoeken maken; de hoornen zullen daarmee één geheel vormen, en gij zult het overtrekken met koper. 3 Ook zult gij er potten voor maken, om het van as te reinigen, en schepen, sprengbekkens, vorken en vuurpannen; al zijn gerei zult gij
van koper maken. 4 Gij zult een traliewerk ervoor maken, een koperen netwerk, en op het net vier koperen ringen maken aan de vier einden. 5 Gij zult het onder de rand van het altaar van onderen bevestigen, zodat het netwerk halverwege het altaar reikt. 6 Gij zult draagstokken voor het altaar maken, draagstokken van acaciahout en die met koper overtrekken. 7 Zijn draagstokken moeten in de ringen gestoken worden en de draagstokken zullen zich aan de
beide zijden van het altaar bevinden, wanneer men het draagt. 8 Hol, van planken, zult gij het maken; zoals Hij u op de berg getoond heeft, zo zal men het maken. 9 Gij zult het voorhof van de tabernakel maken; aan de zuidzijde gordijnen voor het voorhof van getweernd fijn linnen, (een hek) honderd el lengte aan de ene zijde; 10 en daarvoor twintig pilaren en twintig voetstukken van koper, voor de pilaren
haken en dwars-stangen van zilver. 11 Zo ook aan de noordzijde in de lengte gordijnen van honderd el lengte en daarvoor twintig pilaren, en twintig voetstukken van koper, voor de pilaren haken en dwarsstangen van zilver. 12 In de breedte nu van het voorhof aan de westzijde gordijnen van vijftig el, met hun tien pilaren en de tien voetstukken daarvan.
( 36 ) & ( 37 )
13 De breedte nu van het voorhof aan de oostzijde; vijftig el. 14 En vijftig el gordijnen voor het ene zijstuk, met hun drie pilaren en de drie voetstukken daarvan. 15 Ook voor het andere zijstuk vijftien el gordijnen, met hun drie pilaren en de drie voetstukken daarvan. 16 en voor de poort van het voorhof een gordijn van twintig el van hemelblauw, purper, scharlaken en van getweernd fijn linnen; veelkleurig weefwerk; met vier pilaren en vier voetstukken daarvan.
17 Al de pilaren rondom het voorhof door zilveren dwarsstangen verbonden; en hun haken van zilver en hun voetstukken van koper. 18 De lengte van het voorhof honderd el, de breedte telkens vijftig en de hoogte vijf el van getweernd fijn linnen, en de voetstukken ervan koper. 19 Wat al het gerei voor de gehele inrichting van al de pinnen van het voorhof; dat moet van koper zijn. 20 Gij zult de Israë
lieten bevelen, dat zij u brengen zuivere olie, uit gestoten olijven, voor het licht, om voortdurend een lamp te kunnen laten branden. 21 In de tent der samenkomst buiten het voorhangsel dat vóór de getuigenis is, zal Aäron met zijn zonen die verzorgen, van de avond tot de morgen, voor het aangezicht des Heren: een eeuwige inzetting bij de Israëlieten voor hun geslachten.
Ook in: Exodus (30 – 1): Gij zult een altaar, een offerplaats voor reukwerk, maken van acaciahout zult gij het maken; 2 een el lang en een el breed, zo dat het vierkant is, en twee el zal zijn hoogte zijn; de hoornen zullen daarmee één geheel vormen 3 Gij zult het overtrekken met louter goud, het bovenvlak en de zijvlakken rondom, en de hoornen. Gij zult er een gouden kroon omheen maken.
4 Twee gouden ringen zult gij ervoor maken onder de omlijsting, aan de beide zijkanten zult gij ze maken, op de beide zijden, en zij zullen dienen als houders voor draagstokken om het daarmede te dragen. 5 Gij zult dan de draagstokken van acaciahout maken en ze overtrekken met goud. 6 Gij zult het zetten vóór het voorhangsel, dat vóór de ark der getuigenis is, vóór het verzoendeksel, dat boven de
getuigenis is, waar Ik met u zal samenkomen.
( 38 )
7 Aäron nu zal daarop welriekend reukwerk in rook doen opgaan; elk morgen, wanneer hij de lampen in orde maakt, zal hij het in rook doen. 8 Ook wanneer Aäron de lampen aansteekt in de avondschemering, zal hij het in rook doen opgaan voor het aangezicht des Heren als een bestendig reukwerk voor uw geslachten. 9 Gij zult daarop geen vreemd reukwerk brengen noch brandoffer noch spijsoffer, ook een plengoffer zult gij er niet op plengen.
10 Aäron zal met het bloed van het zondoffer der verzoening eenmaal per jaar op zijn hoornen verzoening doen; eenmaal per jaar zal hij er verzoening op doen voor uw geslachten; allerheiligst is het voor de Here. 11 .. 18 De Here sprak tot Mozes: Gij nu zult een vat van koper maken met een voetstuk van koper, voor de afwassingen, het plaatsen tussen de tent der samenkomst en het altaar, en daar water in doen,. 19 Aäron en zijn zonen zullen daarin hun handen
en voeten wassen. 20 wanneer zij naar de tent der samenkomst komen, zullen zij zich met water wassen, opdat zij niet sterven; of wanneer zij naderen tot het altaar, om dienst te doen en een vuuroffer in rook te doen opgaan voor de Here. 21 Zij zullen dan hun handen en voeten wassen, opdat zij niet sterven; het zal voor hen een eeuwige inzetting zijn, voor hem en voor zijn nakomelingen naar hun geslachten.
( 39 )
Ook in: Numeri (4 – 5): Bij het opbreken van de legerplaats zullen Aäron en zijn zonen naar binnen gaan en het bedekkend voorhangsel afnemen, en daarmee de ark der getuigenis bedekken; 6 daarover zullen zij een bedekking van tachasvel leggen, en daarover een kleed geheel van hemelblauw spreiden en de draagstokken aanbrengen. 7 Ook over de tafel der toonbroden zullen zij een purper kleed
spreiden, en daarop plaatsen de schotels, de schalen, de kommen en de plengkannen, terwijl ook het steeds aanwezige brood erop zal blijven liggen: 8 daarover zullen zij een scharlaken kleed spreiden en dit bedekken met een bedekking van tachasvel, en de draagstokken aanbrengen. 9 Dan zullen zij een purper kleed nemen en daarmee de kandelaar voor het licht bedekken met zijn lampen, snuiters, bakjes, en al zijn
gerei voor de olie, waarvan men zich daarbij bedient, 10 en zij zullen hem met al zijn gerei plaatsen op een bedekking van tachasvel en op een draagbaar zetten. 11 Over het gouden altaar zullen zij een purper kleed spreiden en dit bedekken met een bedekking van tachasvel en de draagstokken aanbrengen. 12 ..13 En het altaar zullen zij van as reinigen, er een purper kleed overheen spreiden, en daarop leggen al zijn gerei, waarvan
men zich daarbij bedient, de vuurpannen, de vorken, de scheppen, de sprengbekken, al het gerei van het altaar, en daarover een bedekking van tachasvel spreiden, en de draagstokken aanbrengen. 15 Als Aäron en zijn zonen bij het opbreken van de legerplaats gereed zijn met het bedekken van het heilige en al het heilige gerei, dan zullen daarna de Kehatieten binnengaan om het te dragen, .... .
( 40 )
De tabernakel (de heilige tent), zijne voorhof en de omheining hek, symboliseerden en representeerden de verschillende stadiums van exodus van mensheid uit de slavernij van zonde en van de duivel en het gevolg des oordeel en straf tot de verlossing en redding Gods, om een gelegenheid te krijgen om weer voor het aangezicht van God te staan. Dit is mogelijk gemaakt door hen te verlossen en van de slavernij van zonde en haar gevolg en oordeel en van eeuwige dood straf te
redden, die geen mens kan ontsnappen.
De verschillede chronologische stadiums van mensheid exodus, kan duidelijk gezien worden, als iemand de tabernakel van boven naar beneden door de verschillede bedekkingen tot het heilige der heiligen plaats van de tent bekijkt, of als iemand van buiten de omheining (hek) tot binnen door de verschillede ingangen naar het heilige der heiligen plaats van de tent loopt. Deze stadiums beginnen vanaf de vroegere schepping stadiums,
tot Adam zonde en slavernij, tot het stadium waarin de Wet en de tien geboden samen met hun symbolische offers aan mensen gegeven waren, en tenslotte tot de verlossing stadium van mensheid bij de offerte van de zoon van God, om het mogelijk voor hen te maken de eisen des rechtwaardigheid Gods en zijne volle tevredenheid en genoegen te bereiken, zodat zij naar hun God en schepper weer terug kunnen keren.
Hier nemen wij tijdelijk afscheid van de tabernakel, maar wij zullen de betekenis van de verschillende gedeelten, inrichtingen, en verschillende materialen in detail later uitleggen.
Want nu worde gezegd van Jakob en van Israël wat God gewrocht heeft.
Wij moeten nadrukken, dat de tabernakel van de ark van getuigenis de hemelse tempel van God representeerde, het was een voorbeeld gemaakt naar de afbeelding, die Mozes op de berg zag, en symboliseerde God aanwezigheid tussen zijne volk.
Hebreeën (8 – 5):
Die het voorbeeld en de schaduw van de hemelse dingen dienen, zoals Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand was, toen hij de tabernakel volmaken zou: "Want zie, zegt Hij, dat gij het alles maakt naar de afbeelding, die u op de berg getoond heeft."
( 41 )
En toen het symbolische uitverkorene volk de woestijn van Paran bereikte, heeft Mozes naar het bevel des heren, twaalf mannen, één man van elk stamvader volkgroep van Israël uitgezonden, om het land Kanaän te verspieden, en na verloop van veertig dagen keerden zij terug van het verspieden van het land, maar zij beefden van angst, ze waren bang en vreesden zij de bewoners van het land, en Zij verhaalden Mozes dan en zeiden:
Numeri (13 – 27): "Wij kwamen in het land, waarheen gij ons gezonden had, en ja, het vloeit van melk en honig, en dit is zijn vrucht. 28 Het volk echter, dat in het land woont, is sterk en de steden zijn ommuurd en zeer groot, en ook de kinderen van Enak zagen wij daar; ....... 32 Ook verspreiden zij onder de Israëlieten een kwaad gerucht omtrent het land dat zij verspied hadden, door te zeggen: "Het land dat wij zijn doorgetrokken om het te
verspieden, is een land dat zijn inwoners verslindt, en alle mensen die wij daar zagen, waren mannen van grot lengte. ..... ."
Zij waren allemaal bang, zij hebben de belofte van God getwijfeld, zij dachten dat God niet in staat is, om zijn belofte te vervullen, behalve Kaleb de zoon van Jefunne, de Kenizziet, en Jozua de zoon van Nun, en toen de toorn des Heren ontbrandde en Hij zwoer:
Numeri (32 – 11): "Voorwaar, de mannen die uit Egypte opgetrokken zijn, van twintig jaar oud en daarboven, zullen het land niet zien, dat Ik aan Abraham, Isaak en Jakob bij ede toegezegd heb, omdat zij Mij niet volkomen volgden, 12 behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, de Kenizziet, en Jozua, de zoon van Nun, omdat dezen de Here volkomen volgden. 13 Daarom ontbrandde de toorn des Heren tegen Israël, zodat Hij hen veertig jaren in de woestijn liet
omzwerven, totdat het gehele geslacht dat kwaad gedaan had in de ogen des Heren, zijn einde gevonden had.
( 42 )
Niemand van twintig jaar en daarboven die uit Egypte opgetrokken is, kon het symbolische Belofte Land binnengaan, ofschoon het feite dat zij allemaal besneden in de voorhuid waren, en zij allemaal het teken in hun vlees van het verbond met God hadden, die God aan Abraham en zijne nakomelingen gegeven heeft. Bovendien ze hadden de Wet en zijne onderrichten vol gevolgd, maar toch niemand het Belofte Land binnenging, en die maar een
symbool van de actuele Belofte Land is, dat wil zeggen, het hemelse Jeruzalem.
Hebreeën (3 – 16): Want sommigen, toen zij die gehoord hadden, hebben Hem verbitterd, doch niet allen die uit Egypte door Mozes uitgegaan zijn. 17 Over wie nu is hij vertoornd geweest, veertig jaar? Was het niet over hen die gezondigd hadden, van wie de lichamen gevallen zijn in de woestijn? 18 En aan wie heeft Hij gezworen, dat zij in Zijn rust niet zouden ingaan, anders dan aan hen die ongehoorzaam geweest waren? 19 En wij zien, dat zij
niet konden ingaan vanwege hun ongeloof.
Noch Mozes die de profeet van God was, Noch zijn broer Aäron kregen God toestemming, om het symbolische Belofte Land binnen te gaan. Mozes van wie het oude testament zei:
Exodus (33 – 11): En de Here sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals iemand spreekt met zijn vriend, ..... .
Ook in: Exodus (34 – 29): Toen Mozes van de berg Sinai afdaalde, de twee tafelen der getuigenis nu waren in zijn handen, toen hij van de berg afdaalde, wist hij niet, dat de huid van zijn gelaat straalde, doordat hij met God gesproken had. 30 Toen Aäron en al de Israëlieten Mozes zagen, zie, de huid van zijn gelaat straalde, en zij durfden hem niet naderen.
( 43 )
Mozes wiens naam is, de man die God gesproken heeft, kreeg geen toestemming van God, om de rivier Jordaan over te steken, om het symbolische Belofte Land binnen te gaan. (Ik herhaal, "Het symbolische Belofte Land"), omdat hij samen met zijn broer Aäron bij het water van Meriba in de woestijn Sin te Kades één vergissing gepleegd hebben.
Numeri (20 – 8): Neem de staf en laat de vergadering samenkomen, gij en uw broeder Aäron; spreek dan in hun tegenwoordigheid tot de rots, dan zal zij haar water geven: gij zult voor hen water uit de rots te voorschijnen doen komen en de vergadering en hun vee drenken. 9 Toen nam Mozes de staf van vóór het aangezicht des Heren, zoals Hij hem geboden had.
10 Toen Mozes en Aäron de gemeente vóór de rots hadden doen samenkomen, zei hij tot hen: "Hoort toch, wederspanningen, zullen wij uit deze rots voor u water te voorschijn doen komen? 11 Daarop hief Mozes zijn hand op en sloeg de rots met zijn staf tweemaal, en er kwam veel water uit, zodat de vergadering kon drinken en hun vee. 12 Maar de Here zei tot Mozes en Aäron: "Aangezien gij op Mij niet vertrouwd hebt
en Mij ten aanschouwen van de Israëlieten niet geheiligd hebt, daarom zult gij deze gemeente niet brengen in het land, dat Ik hun geef.
( 44 )
Aäron ging dood op de top van de berg Hor, aan de grens van het land Edom, als in:
Numeri (20 – 24): Aäron zal tot zijn voorgeslacht vergaderd worden, want hij zal niet komen in het land, dat Ik de Israëlieten geef, omdat gijlieden bij het water van Meriba tegen mijn bevel weerspanning zijn geweest. 25 Neem Aäron en zijn zoon Eleazar en laat hen de berg Hor beklimmen; 26 laat Aäron zijn klederen uittrekken en bekleed zijn zoon Eleazar daarmee, dan zal Aäron tot zijn voorgeslacht vergaderd worden en daar sterven.
27 .. 28 ... . Toen stierf Aäron daar op de top van de berg, en Mozes daalde met Eleazar van de berg af.
Mozes ook, die gekozen was, die met de Here gesproken heeft, en wie zoveel te lijden heeft, om de hardnekkig en opstandig Israëlieten gedurende veertig jaar te leiden, die God in zijn boek beschrijft als mensen van ijzer en koper, omdat zij zo vaak met roest bedekten raken. En vanwege één vergissing die hij gepleegd heeft, kreeg Mozes geen toestemming, om het symbolische Belofte Land binnen te gaan, en die maar een symbool van de actuele hemelse
Belofte Land is.
Mozes was het niet waard, om het symbolische Belofte land binnen te gaan, omdat hij het niet verdiend heeft, ofschoon het feite dat hij bij de Wet leefde en het volgde, en samen met zijn broeder Aäron offerden zij dieren offers, die in overeenkomst met de Wet waren, om hun zonden en die van de Israëlieten te vergeven. Zo
hoe is het mogelijk, dat iemand de actuele (en niet de symbolische) Hemelse Belofte Land binnen kan gaan, door het volgen en naleven van de Wet? Als sommige religies beweren?? En toen één fout, één vergissing, één zonde, levenslang goede daden overwicht samen met de pijn, die de hardnekkige Israëlieten gedurende veertig jaar hem veroorzaakten. Zo wie kan het binnengaan?
Van verre zag Mozes het symbolische Belofte Land, van de top van berg Nebo, maar hij gaat daarheen niet binnen.
Deuteronomium (32 –48):
Voorts zei de Here op dezelfde dag tot Mozes: 49 "Beklim dit gebergte, de Abarim, de berg Nebo, die in het land Moab ligt, tegenover Jericho, en aanschouw het land Kanaän, dat Ik de Israëlieten in bezit zal geven, 50 en sterf op de berg, die gij beklimmen zult, opdat gij tot uw voorgeslacht vergaderd wordt, zoals uw broeder Aäron op de berg Hor gestorven
en tot zijn voorgeslacht vergaderd is, 51 omdat gij ontrouw jegens Mij geweest zijt te midden van de Israëlieten, bij de wateren van Meribat-Kades in de woestijn Sin, en gij Mij niet geheiligd hebt te midden van de Israëlieten. 52 Want gij zult het land vóór u zien, maar daar niet binnengaan, het land dat Ik de Israëlieten geven zal.
( 45 )
Deuteronomium (34 –1): Toen beklom Mozes uit de velden van Moab de berg Nebo, de top van de Pisga, die tegenover Jericho ligt, en de Here liet hem het gehele land zien: Gilead tot Dan toe, 2 het gehele Naftali, het land Efraïm en Manasse, het gehele land van Juda tot aan de achterste zee, 3 het Zuiderland en de streek, het dal van Jericho, de Palmstad, tot Soar toe. 4 En de Here zei tot hem: "
Dit is het land, dat Ik Abraham, Isaak en Jakob onder ede beloofd heb met deze woorden: aan uw nageslachten zal Ik het geven. Ik heb het u met uw ogen laten zien, maar gij zult daarheen niet overtrekken."
5 Toen stierf Mozes, de knecht des Heren, aldaar in het land Moab, volgens des Heren woord.
Saint Paulus zei: Hebreeën (11 – 8): Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, gehoorzaam geweest, om uit te gaan naar de plaats die hij tot een erfdeel ontvangen zou; en hij is uitgegaan zonder te weten waar hij komen zou. 9 Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land de belofte, als in een vreemd land, en heeft in tenten gewoond met Isaak en Jakob, die mede-erfgenamen waren van dezelfde belofte, 10 want hij verwachtte
de stad die fundamenten heeft, waarvan God Kunstenaar en Bouwmeester is. 11 Door het geloof heeft ook Sara zelf kracht onvangen, om een zaad te geven, en boven de tijd van haar ouderdom heeft zij gebaard aangezien zij Hem trouw heeft geacht, Die het beloofd had. 12 daarom zijn ook van één, en dat van een verstorvene, zovelen in menigte geboren, als de sterren van de hemel, en als het zand aan de oever van de zee, dat ontelbaar is.
13 Deze allen zijn in het geloof gestorven, zonder de beloften te krijgen, maar hebben die van verre gezien, en geloofd en omhelsd, en hebben beleden dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. 14 .. 16 Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse. Daarom schaamt God Zich voor hen niet, om hun God genoemd te worden, want Hij had hun een stad bereid.
( 46 )
Ja, een hemelse stad, die het heilige Jeruzalem is, en niet het stoffelijk overschot aards Jeruzalem.
Om de rots tweemaal te slagen was een verschrikkelijk grote vergissing, vanwege het feite dat de verlossing en redding van mensheid is maar één keer gebeurd, zo de tweede slag was helemaal niet noodzakelijk. Omdat Mozes zo bang voor de spannende en boze menigte, dat hij zichzelf het woord Gods twijfelde, en daarom heeft hij de rots voor de tweede keer geslagen, om zeker te zijn dat haar water eruit zal komen.
De eerste slag representeerde de kruisiging van Jezus Christus op het kruis, om Jezus bloed te vergieten, om de rivieren van de noodzakelijk verlossing en redding levende wateren beschikbaar te maken, om mensheid te redden. De tweede slag, die helemaal niet noodzakelijk was, representeerde de speer slag, die Mozes richtte op Jezus en zijn zijde doorstak (door de handen van één Roman soldaat),om zeker te zijn dat Jezus al gestorven was, en de
redding van mensheid al vervuld is.
En wij lezen in: Johannes (20 – 27): Daarna zei Hij tot Thomas: "Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand, en steek ze in Mijn zijde; en wees niet ongelovig, maar gelovig."
( 47 )
Dat wil zeggen: Thomas wees niet ongelovig als Mozes, die mijn zijde met zijn tweede slag open geraakt heeft, om zeker te zijn dat de rots haar wateren zal geven, en sinds Ik de rots was, hij gaf mij dit extra wond op mijn zijde, nadat Ik al gestorven op het kruis was. Dit wond is de wond van onzekerheid, en ongelovigheid, doe je hand in, om zeker te zijn en wees een gelovige zoals Mozes deed, toen hij de wond veroorzaakte.
Van verre aanschouwde en begroete Mozes het symbolische Belofte Land, maar hij kon het niet binnengaan. En ofschoon het feite dat alle mannen die twintig jaar oud en daarboven lichamelijk besneden waren, kunnen ze ook het symbolisch Belofte Land niet binnengaan, omdat zij het niet verdiend hebben.
Dit was maar een teken, om wij te begrijpen dat degenen die het echte en actuele Belofte Land, dat wil zeggen, het hemelse Jeruzalem door de Wet en de tien geboden willen bereiken, zullen allemaal dood op de weg vallen. Dat is, degenen die het hemelse Jeruzalem door hun daden en het naleven van de Wet proberen te bereiken, zullen allemaal dood in de moeilijke woestijn gaan. Zij zullen in de woestijn van de Wet
dwalen, en het echte Belofte Land nimmer willen bereiken.
Wij stoppen hier, om over alles na te denken. De exodus begon, toen Abram naar de symbolische belofte land gekozen en gebracht was, om een symbool van Adam te zijn, toen hij in paradijs was. En Abraham is in zonde gevallen, precies als Adam, die vanwege iets te eten in zonde gevallen was, en uit de hof van Eden weggezonden was. Ook de nakomelingen van Abraham en vanwege voedsel gingen Egypte binnen, en voor vierhonderd jaar de slaven van Farao geworden waren.
Daarna heeft de Here Mozes een symbolische rol gegeven, om God tegen de Farao te spelen, ook zijn broeder Aäron de rol gegeven, om profeet Mozes te spelen, Mozes moet alles zeggen die God tegen hem zegt, en Aäron moet het woord bij Farao voeren. (Exodus 7 – 1 / 2).
( 48 )
Vroeger en na de doortocht door de Rode zee bereikten wij het symbolisch einde van het stadium, die mensheid vanaf het begin des tijd van Adam, en tot Noach en de zondvloed door gegaan hebben, maar hier vlakbij de berg Nebo bereiken wij het symbolische eind van het stadium waarin symbolische dieren offers aan God gebracht waren om zijn aanvaardbaarheid en de tevredenheid te bereiken, om zonden te vergeven door de navolging
en naleving van de Wet. En tot nu toe, de grond die de Israëlieten gereisd hadden een verschrikkelijke dodelijke en lege woestijn was, die een symbolische kopie en een voorbeeld van het Wet stadium representeerde. Voor en ofschoon het feite, dat de rechtvaardige Wet goed en perfect is, maar in het einde hij de dood van iemand veroorzaakt, die verlossing door hem na te volgen wil bereiken en na te leven, niet dat de Wet defectief of niet
goed is, maar vanwege het feite dat defecten in mensen natuur gekomen zijn vanwege de minachtige en bezoedeling staat die zonde aan hen gebracht heeft. Zij verlangen altijd om op naar God te kijken, maar hun lichamen en zonden hen neer naar beneden halen. Zij willen de aanvaardbaarheid en de tevredenheid van de schepper bereiken, om naar hemel terug te keren, maar de Here heeft wel gezegd: "Niemand is rechtvaardig, geen één". En sinds
geen Israëliet, die met Mozes uit Egypte kwam kon de rivier Jordaan oversteken, om het symbolische Belofte Land binnen te gaan, dan is het duidelijk, dat God bevestigde en toonde aan mensheid dat niemand kan verlost en gered worden door de navolging en naleven van de perfecte rechtvaardige Wet. En daarom bestond er een behoefte om een nieuwe methode te bedenken, die de
Wet niet minimaliseert of devalueert, maar hem nog een stap verder perfect te maken, en dezelfde tijd een volle tevredenheid van God imperiaal rechtvaardigheid te bereiken, en tot wat naartoe de dieren offerten verwijzen te vervullen, dat is, de verlossing en redding van mensheid door een vervanger die eeuwige leven heeft, en wie het eeuwige straf en dood, die zonde veroorzaakt kan verdragen, dat is door de offerte en zonde gelijk te stellen,
om zonde te neutraliseren, zodat alles naar zijn originele status terugkeert.
( 49 )
En de offers van de onschuldige dier tijdelijk bedekte en verstopte zonde, maar het niet capabel is, om een volle eeuwige vergeving te geven, omdat het geen eeuwige leven heeft. En daarom en ofschoon het feite dat de Here de kennis van tevoren had, dat de Israëlieten zo lang dat zij in de woestijn bleven, zullen een behoefte aan water hebben, maar toch liet Hij ze zonder water, om hen te wijzen, dat alleen Hij kon hun dorst vervullen en hun behoefte aan water verzadigen.
Dat betekent, dat zolang dat zij onder de Wet en zijne dieren offers bleven, en die geen volle finale vergeving voor zonde kunnen geven, dan zal een behoefte ontstaan, om een eeuwige vervanging bloed, die God zichzelf geeft, om hen een eeuwige levende wateren te geven, die binnen zich tot bronnen van levende water zal worden, om hen het gezochte eeuwige leven te geven, om naar hemel terug te keren.
Tot hier keerden de Israëlieten terug, om de symbolische Belofte Land binnen te gaan, die van melk en honig vloeit, en die een symbool tot hemel was. En hier begon een nieuwe stadium, en aan de Israëlieten een nieuwe methode gegeven was, die zij van tevoren niet wisten.
Jozua (3 – 2): Na verloop van drie dagen gingen de opzieners de legerplaats door. 3 en zij gaven het volk dit bevel: "Zodra gij de ark des verbonds van de Here, uw God, ziet en de levitische priesters, die hem dragen, dan zult gij ook van uw plaats opbreken en achter hem aantrekken". 4 Er zij echter tussen u en hem een afstand van ongeveer tweeduizend ellen lengte; komt niet dicht bij hem; opdat gij de weg moet weten, waarlangs gij gaan zult,
want langs die weg bent gij noch gisteren noch eergisteren getrokken. 5 ... 8 Beveel dan de priesters, die de ark des verbonds dragen: "Zodra gij gekomen bent aan de oever van het water van de Jordaan, zult gij in de Jordaan blijven staan." 9 .. 15 zodra de dragers van de ark aankwamen bij de Jordaan en de voeten der priesters, die de ark droegen, aan de oever in het water gedompeld waren, de Jordaan nu was geheel buiten zijn oevers getreden
gedurende de ganse oogsttijd, 16 en het water, dat van boven afkwam, bleef staan; het rees op als een dam, zeer ver weg bij Adam, de stad, die bezijden Saretan ligt, terwijl het water dat afvloeide naar de zee der Vlakte, de Zoutzee, volkomen werd afgesneden. Toen trok het volk over, tegenover Jericho. 17 Doch de priesters die de ark van het verbonds des Heren droegen, bleven onbeweeglijk staan op het droge, midden in de Jordaan, terwijl geheel Israël
op het droge overtrok, totdat het ganse volk de overtocht over de Jordaan voleindigd had.
( 50 )
Om te begrijpen wat er gebeurt is, wij willen de volgende vragen stellen:
Waarom waren de Israëlieten bevel, om een afstand van ongeveer tweeduizend ellen lengte tussen hen en de ark des verbonds van de Here te houden?
En welke weg hadden de Israëlieten vroeger geen kennis van? De weg zichzelf was zo duidelijk voor elk mens te zien. Het een simpel overtocht over de Jordaan rivier was, wiens wateren door een Godelijk wonder afgesneden werden, die de symbolische uitverkorenen trok op het droge over!!
De afstand van ongeveer tweeduizend ellen was niets anders maar de periode tussen twee intochten, de roemrijke intocht van Jezus Christus in de Hemelse glorie, en dat van zijn echte uitverkorenen, dat is, de periode die vanaf de geboorte en de kruisigen van Jezus Christus begonnen is, tot het einde en de verschijn van de ark des verbonds in de hemel, toen de actuele en de echte uitverkorenen zullen Christus in de hemelse glorie navolgen.
( 51 )
De nieuwe weg, die de Israëlieten niet wisten en getrokken hadden, was de nieuwe weg, een nieuwe methode, om mensheid te verlossen door geloof en gedoopt te worden. Deze nieuwe methode werd symbolisch geschetst en in grote lijnen aan de Israëlieten gegeven in het midden van de Jordaan, maar zij begrepen wat zij deden niet? Zij begrepen niet wat de betekenis ervan was? Omdat het verstopt en verbergt was.
Zij hebben al wat God hen gevraagd gedaan, zonder over het te vragen: "Waarom is het op deze manier gedaan?" Zij waren zo bezig om het land die God hen gegeven heeft te bezitten.
De oude methode die de Israëlieten vroeger wisten, was de weg van daden en offers die in overeenstemming met de Wet waren. Toch niemand, geen één van 603550 men die uit Egypte kwamen, en die twintig jaar en daarboven waren kon de tocht tot de symbolische Belofte Land compleet volkomen maken.
Maar hier, bij de Jordaan rivier, de Israëlieten hebben een nieuwe methode, om verlost te worden door geloof en gedoopt te worden gekregen, en erover Ezechiël zei:
Ezechiël (47 – 1): Toen bracht hij mij terug naar de ingang van het huis; zie, er stroomde water onder de drempel van het huis uit, oostwaarts, want de voorzijde van het huis was op het oosten; het water vloeide onder de rechterzijkant van het huis vandaan, ten zuiden van het altaar.
2 En hij leidde mij door de Noordpoort en hij voerde mij toen buitenom naar de buitenste poort, naar de poort die op het oosten uitzag; en zie, daar borrelde water op uit de rechter zijkant. 3 nadat de man uitgegaan was naar het oosten met een meetsnoer in zijn hand, mat hij duizend el en deed mij door het water gaan; het water reikte tot aan de enkels.
4 Hij mat weer duizend el en deed mij door het water gaan; het water reikte tot aan de knieën. Hij mat weer duizend el en deed mij erdoor gaan; het water reikte tot aan de heupen.
5 Hij mat nog eens duizend el; nu was het een beek geworden, die ik niet doorwaden kon, want het water was zo hoog, dat men erin zwemmen kon, een beek die men niet kon doorwaden. 6 .. 8 Hij zei tot mij: "Dit water
stroomt naar de oostelijke landstreek, vloeit af naar de Vlakte en komt in de zee; in de zee wordt het uitgestort, zodat haar water gezond wordt." 9 En alle levende wezens die er wemelen, zullen leven, overal waar de beek komt, en er zal zeer vis zijn, want als dit water daarheen komt, dan wordt het water van de zee gezond. Overal waar de beek komt, zal alles leven.
( 52 )
Ja, het is een nieuwe weg, een nieuwe methode om mensen te verlossen door geloof en trouw, de methode van de goddelijke genade, die God aan elk mens geeft, die gelooft en gedoopt wordt. Zo elk mens die de Jordaan overgestoken heeft, leeft omdat hij door het water van de rivier gereinigd is,
die een symbool tot de zuivere rivier van het water van het leven gemaakt is, die uit de troon van God en van het Lam voortkomt en in het heilige Jeruzalem stroomt. Zo in overeenstemming met deze nieuwe methode, alle Israëlieten die lichamelijk niet besneden in het vlees waren de Jordaan overgestoken zijn, en bereikten zij het symbolische Belofte Land. Deze nieuwe weg Jezus Christus heeft omschreven, en Hij zei:
VERDER
Terug
|
|
|